*/1


Geluk zit in de herinneringen die we samen maken. Deel het geluk en het wordt meer. Als oud-international Rinus Bennaars in Residentie Moermont zijn oude clubmakker Frans Bouwmeester op bezoek krijgt, gaan de mooiste verhalen over tafel.

Hand in hand,

kameraden

Zijn kortetermijngeheugen staat dan misschien buitenspel, zijn vroegere voetbalmaten vergeet Rinus Bennaars nooit. Een treffen met Frans Bouwmeester, waarmee hij begin jaren ’60 van de vorige eeuw gouden tijden beleefde bij Feyenoord en het Nederlands elftal, is dan ook een feest van herkenning. De tijd krijgt geen vat op het succes van weleer, emoties kennen geen dementie.


Rinus

Bennaars

De ontmoeting met zijn oude strijdmakker Frans Bouwmeester is een kippenvel-moment. Bennaars heeft geen idee waarom hij met zijn zoon Wilbert en zijn zusje Willy vanaf zijn gesloten afdeling in Moermont is afgedaald naar het restaurant. Maar als hij de vinnige Bouwmeester in het vizier krijgt, wordt Bennaars op slag een anders mens. Joviaal sluiten de twee elkaar in de armen. Oprechte vriendschap, van een soort die niet meer lijkt te bestaan.

Rinus Bennaars lijdt aan dementie. Wat hij nu vertelt of vraagt, is hij over drie minuten al weer vergeten. Maar hoe anders is dat als het over zijn glorietijd als voetballer gaat, eerst bij Dosko, later bij Feyenoord en in Oranje. Sportieve successen prikkelen het brein, de kameraadschap staat in zijn geheugen gegrift. ‘Die jongens van nu verdienen veel geld, veel meer dan wij, maar toch hoop ik dat ze ooit meemaken wat wij samen beleefden’, zegt Bouwmeester.

Rinus knikt. Zijn ogen komen maar niet los van de fotocollage die tanteLouise voor deze bijzondere ontmoeting heeft laten maken. Het zijn prachtige beelden uit het leven van Bennaars toen de wereld nog zwart-wit kleurde. De foto’s zijn afkomstig uit de verzameling van Cor Taal, de vader van Dennis, die locatiemanager is van Onze Stede. Cor Taal is goed bevriend met Bouwmeester.  ‘Mijn oom, Jan van Hoogenhuizen, speelde destijds voor NAC. Hij was daar de eerste met een profcontract en vocht heroïsche duels uit met Coen Moulijn. Die liet mijn oom alle hoeken van het veld zien, maar Jan hem de meeste reclameborden.’

De foto’s uit de oude doos missen hun uitwerking niet. Bennaars schuift naar het puntje van zijn stoel en lepelt probleemloos alle spelersnamen op. Illustere namen zoals die van Eddy Pieters Graafland, Hans Kraay, ‘Beertje’ Kreijermaat, Cor van der Gijp en Coen Moulijn. ‘Kijk, hier rijden we in cabrio’s door de stad. Dat was in mijn eerste jaar bij Feyenoord, het seizoen 1961-1962. We waren kampioen geworden en de hele stad liep uit. Die trainer, Norberto Höfling, leeft die nog of is die ook al weg?.


Bennaars vormde in die tijd een ijzersterk middenveld met Kreijermaat en Klaasen, bijgenaamd Jan Jus d’Orange. ‘Die dronk geen druppel, die man was zo serieus. Wij hadden een geweldige voorhoede, we maakten 135 doelpunten in één seizoen. Maar dat hadden we dan wel aan die drie te danken. Zij waren net het IJzeren Gordijn; daar kwam geen man langs. Zij pakten de ballen af, wij scoorden. Die Rinus, die kon me een partij goed voetballen’, zegt Bouwmeester. Nog altijd vol bewondering.

Op voorspraak van de grote Cees Rijvers werd Bennaars begin jaren zestig weggeplukt bij Dosko, de Bergse trots die toen ook al betaald voetbal speelde, zij het in de Tweede Klasse. Toch werd Bennaars, die in 1952 ook al de Olympische Spelen van Helsinki beleefde, geselecteerd voor het Nederlands Elftal. De interland die hem het meest tot de verbeelding spreekt? Bennaars hoeft niet lang na te denken: ‘In 1963, de oefeninterland tegen Brazilië.’

De balveroveraar is die wedstrijd de directe tegenstander van Pelé, de sterspeler van de Gouden Kanaries, de tweevoudig wereldkampioen. Na amper 30 minuten hield Pelé het voor gezien. ‘Misschien omdat ik hem teveel in de schaduw zette’, vermoedt Rinus. ‘Ik kreeg de opdracht hem geen meter ruimte te geven. Als een terriër beet ik me in hem vast.’


Een ander hoogtepunt is de met heroïek omgeven beslissingswedstrijd tegen Vasas Budapest, misschien wel de opmaat naar de grootste succesperiode in de Nederlandse voetbalhistorie. In de tweede ronde van de Europa Cup hield Feyenoord de favoriete Hongaren twee keer op een gelijkspel. Wat volgde was een extra match op neutraal terrein: stadion De Bosuil in Antwerpen, beter bekend als de Hel van Deurne. Meer dan 40.000 meegereisde supporters zagen hoe Feyenoord werd weggetikt, maar een enkele uitval, tien minuten na rust werd de Hongaren fataal.

Na een mislukte een-twee met Bouwmeester schoot Bennaars de winnende treffer tegen de touwen. Met links, nog wel. De schoen heeft een plaats heeft gekregen in het Feyenoord-museum. ‘Niet eerder overwinterde een Nederlandse club in de Europa Cup. De gekte was compleet toen we ook nog van Stade Reims wonnen. Kijk, op deze foto zitten we voor het vliegtuig, de flessen champagne nog in de hand. Weet je nog Rinus, dat we in het Lido in Parijs hebben gedanst met die mooie dames? De beroemde Blue Bell Girls?’

Nederland sprak plots een woordje mee. De halve finale tegen Benfica - met de grote Eusebio - ging weliswaar verloren, enkele jaren later zouden zowel Ajax als Feyenoord het Europese toneel jarenlang domineren. Spelers als Cees Rijvers gingen op avontuur bij een buitenlandse club. Bouwmeester mocht niet van zijn moeder, Bennaars mocht van zijn vrouw niet weg uit Bergen op Zoom, waar hij overdag zijn brood verdiende als constructiemedewerker. ‘Dan ging hij elke avond met de trein naar Rotterdam om te trainen en was hij pas na tienen thuis’, weet Willy. ‘Kom daar nu nog eens om.’

Prachtige verhalen passeren de revue. Over die illustere wedstrijd tegen Real Madrid, met die spijkerharde overtreding op Coen Moulijn en diens reactie daarop, tot ontzetting van verslaggever Bob Spaak: ‘Coen, Coen, beheers je. Dit kan toch niet. Wat een afschuwelijke vertoning!’

Als beide heren verhalen over een bezoek aan een nachtclub in Berlijn en het echt spannend wordt, valt het oog van Rinus Bennaars op een foto van hem als militair. ‘Kijk nou, hier kreeg ik mijn baret bij de commando’s. Wanneer was dat ook al weer?’ Zus Willy weet raad. ‘Dat was in 1953. Ik weet dat nog omdat je niet veel later mensen hebt moeten redden bij de Watersnood. Jeetje, wat was je toen nog een kulleke.’



Die jongens van nu verdienen veel geld
veel meer dan wij, 
maar toch hoop ik 
dat ze ooit meemaken 
wat wij samen beleefden



‘Ik kreeg de opdracht 
hem geen meter ruimte 
te geven. Als een terriër 
beet ik me in hem vast.’


Een portret van Rinus Bennaars. Door Frank Heinen.

Bron: NOS

De tijd krijgt geen vat op het succes van weleer, emoties kennen geen dementie.